brood

Definition från Wiktionary, den fria ordlistan.
Hoppa till navigering Hoppa till sök

Engelska[redigera]

Substantiv[redigera]

Böjningar av brood  Singular Plural
Nominativ brood broods
Genitiv brood's broods'

brood

  1. kull, samtliga ungar som är födda eller kläckta under samma fortplantningsperiod
  2. (bildligt) skock

Se även[redigera]

Verb[redigera]

Böjningar av brood  Singular Plural
1-2:a pers. 3:e pers.
Presens brood broods brood
Preteritum brooded
Perfektparticip brooded
Presensparticip brooding, vard. broodin'

brood

  1. ruva
  2. älta

Nederländska[redigera]

Substantiv[redigera]

brood n

  1. bröd
    Sammansättningar: afbakbrood, apostelbrood, bakkersbrood, bodenbrood, broodbakken, broodbakmachine, broodbeleg, broodbelegsel, broodbus, brooddoos, broodfabriek, broodgist, broodhaan, broodmand, broodkorf, broodroof, broodrooster, broodschrijfster, broodschrijver, broodwinner, broodwinning, desembrood, eekhoorntjesbrood, fabrieksbrood, gerstebrood, gistbrood, johannesbrood, kaiserbroodje, knäckebrood, krentenbrood, koekebrood, maanzaadbrood, mierenbroodje, roggebrood, rozijnenbrood, sesambrood, speltbrood, stokbrood, suikerbrood, tarwebrood, vleesbrood, wittebrood, zuurdesembrood